donderdag 15 februari 2018

BIJ HET LEZEN VAN EEN LUCEBERTBIOGRAFIE - 5

Enkele zaken voordat ik mijn lectuur van de Lucebertbiografie hervat. Iets over ‘foute’ dichters met ‘goed’ werk, iets over de betekenis van het werk van Lucebert voor mij persoonlijk en iets over schrijvers die brieven schrijven.
            Gottfried Benn (1886-1956), Duits arts en dichter, tijdens beide wereldoorlogen militair arts, hield rond 1933 pro nazistische radiolezingen zoals ‘Der neue Staat und die Intellektuellen’. Ik beschouw hem, althans voor mezelf, als een van de meest interessante en belangrijkste Duitstalige dichters van de twintigste eeuw. Niet voor niets heb ik het een en ander van hem vertaald. En dat niet alleen omdat hij zich een paar jaar later van de nationaalsocialisten distantieerde en in 1938 van diezelfden een publicatieverbod opgelegd kreeg. Er valt wel wat op de man af te dingen die koos voor een ‘Innere Emigration’ en schrijvers als Klaus Mann verweet buiten schot te blijven en een luxe leventje aan de Côte d’Azur te leiden. Maar artistiek veelal van hoog niveau.
            Ik noem dit om aan te geven dat ik niet van plan ben me door bedenkelijke zaken van Luceberts jonge jaren, zoals die uit de biografie van Wim Hazeu naar voren komen, het zicht op de artistieke kwaliteiten van Lucebert te laten vertroebelen of ontnemen. 

Iets anders is het volgende. Toen ik aan dit lectuurlogboek begon, merkte ik op dat ik Lucebert altijd al in huis heb gehad en dat ik zijn verzamelde gedichten praktisch elke maand opensloeg. Dat zou de indruk kunnen wekken dat de poëzie van Lucebert van (grote) invloed is geweest op mijn eigen poëzie. Hoe dan ook is Luceberts teken- en schilderkunst op geen enkele wijze van invloed geweest op de mijne. En ik denk – maar van jezelf kun je dat nooit met zekerheid zeggen – dat mijn gedichten, of het nu de poëzie uit mijn eerste of mijn laatste bundels is, nauwelijks of niet aan de poëzie van Lucebert doen denken. Terwijl ik zelf meen dat er wel invloeden aanwijsbaar zijn van onder meer Benn, van Auden wellicht op een gegeven moment, ook van Rilke misschien of Hopkins, en als er per se ook Nederlandse namen genoemd moeten worden, Ten Berge, zeker in het begin, en Vroman naderhand. Waarom blader ik dan toch van tijd tot tijd in die verzameluitgave van Lucebert? Het antwoord op die vraag ligt besloten in het antwoord op de vraag naar wanneer ik Lucebert lees. Als schrijver ben je praktisch altijd, als een roofdier, op zoek naar bruikbaars, naar spolia voor je eigen bouwsels. Zeker wanneer je – maar laat ik geheel voor mezelf spreken, want wellicht gaat dat bij anderen volkomen anders –: zeker wanneer ik de indruk heb dat iets zich aandient, dat er iets geschreven wil worden (en bij mij dient dat ‘iets’ zich meer dan eens aan middels een plek, een ruimtelijk gebied dat ik met een vinger kan aanduiden qua locatie en omvang zonder dat iemand het kan zien, nee, niet ergens in me, maar voor me, dichtbij, bijvoorbeeld voor mijn borst net onder mijn linker sleutelbeen of voor mijn voorhoofd, even boven mijn rechter wenkbrauwboog – ik kan het ook niet verklaren, zo’n fantoom kan zich daar dagen of weken ophouden, maar zo gauw ik aan de slag ben is het verdwenen)… Nogmaals: zeker wanneer zich iets aandient, maar ook wanneer ik tijdens het schrijven lijk te stokken, grijp ik weleens naar bepaalde boeken. Zo zijn in het geval van proza vaak twee willekeurige pagina’s Nabokov voldoende om weer spirit of Sprit (Duits: benzine) te krijgen; het gaat dan dus niet om iets thematisch of inhoudelijks, maar altijd om zoiets als hanteringswijze van de taal, materiaalbehandeling. In het geval van poëzie, zo heb ik gemerkt, kan een lukrake Lucebert nog weleens een zetje geven. Vandaar. Ja, uiteraard lees ik ook van tijd tot tijd gedichten, zoals van Lucebert, omwille van die gedichten zelf, al durf ik niet te garanderen dat dit dan ook voor honderd procent zo is. In elk geval zal de Lucebertbiografie van Hazeu me ertoe aanzetten om te proberen Luceberts poëzie op haar (eigen) waarde te lezen.
            Dan nog iets over schrijversbrieven.
            Wim Hazeu kan uit veel briefwerk putten, dat is duidelijk en dat is fijn voor hem. Dat inzicht in de hele ‘Germaanse periode’ van Bertus Swaanswijk is te danken aan het opduiken van brieven. Ik kan het niet nalaten daarbij kinderachtig ‘Eigen schuld dikke bult’ te denken. Ook omdat ik brieven schrijvende schrijvers nogal wantrouw.
            Na de dood van literair journalist en dichter Herman de Coninck (1944-1997) verscheen een boek met brieven van hem, onder de titel Een aangename postumiteit – Brieven 1965-1997. Ik herinner me dat ik dat boek in een winkel bekeek en schrok. Er stond namelijk de tekst van een brief aan mij in! Hoe kon dat nou? Ik had die brief toch in huis en niemand had me er voor deze uitgave naar gevraagd…? De conclusie was gauw getrokken: De Coninck had een kopie van zijn brief aan mij gemaakt en gehouden! De mortuis nil nisi bene? Ik voelde me op slag gebruikt, al wist ik dat de juridische rechten op briefteksten bij de afzender liggen, vreemd genoeg, want ik ben wel geheel vrij om brieven aan mij te vernietigen. En natuurlijk was het niet De Coninck zelf geweest die dit brievenboek had samengesteld, maar toch…: ik had die brief als zeer persoonlijk ervaren, als een uitgestoken hand, en van iets persoonlijks tussen twee mensen maakte en bewaarde je toch geen afschrift? (Tegenwoordig doet een e-mailprogramma zoiets automatisch, maar e-mails nodigen dan weer niet zo uit tot mooischrijverij voor de eeuwigheid.) Ik voelde me gebruikt voor een toekomstige terugblik op iemands culturele leven. Uiteraard heb ik aan dat boek geen rooie cent uitgegeven.
              Ik moest hieraan denken bij enkele door Hazeu geciteerde passages uit brieven van de achttienjarige Bertus Swaanswijk.
            ‘Bewaar toch vooral mijn brieven zorgvuldig,’ schrijft Bertus vanuit zijn Wahlheimat aan ene Tiny, ‘ook de klodderproducten, ja misschien zullen deze laatste juist de grootste waardering onder onze nazaten vinden; niet voor niets zijn de hopeloos vaak doorgehaalde, gecorrigeerde en her-gecorrigeerde geschriften van een Schopenhauer, een Meyer, een Van Eeden het interessantst onder al de facsimile’s der groote dichters.’ En: ‘Mijn brieven die ik nu schrijf, jou en andere vrienden, vriendinnen en kennissen, zullen er later van getuigen in welk een benarde, vruchteloze toestand ik verkeer en met welk een doorzettingsvermogen ik mij opworstel tot hoogten waarvan ik eens de innigste en onstuimigste stralen zal laten neerregenen op een dankbaar gestemde menschheid, die een persoonlijkheid behoeft om gered te worden uit eeuwen van lichtloosheid en duister bedrog.’
            Zo, dat is gezegd! Romantisch jeugdige en dus deels afgekeken hybris. Daarmee zou je dit kunnen afdoen. Eerder merkt Hazeu op: ‘Wie er niet vroeg van overtuigd is een groot kunstenaar te worden, wordt dat meestal ook niet.’ Oké, zeker dat ‘meestal’, want een groot dichter als de Amerikaanse jurist Wallace Stevens debuteerde pas op zijn 35ste in een literair tijdschrift en Francis Bacon was eerste een meubelmaker. Daarnaast deze aantekening: velen zijn er inderdaad vroeg van overtuigd een groot kunstenaar te worden, maar worden het nooit. En deze: kunstenaartje, dichtertje spelen, dat hoort er ook altijd bij – hoewel de aard van de pose nogal in expressie kan verschillen –, maar of dat noodzakelijkerwijs ook betekent dat je daarmee ‘de menschheid’ dankbaar wil laten stemmen, dat je een of ander heil in de wereld wil brengen? Maar wat bij Bertus Swaanswijk het meest in het oog springt, is dat hij anderen, die hij vrienden en vriendinnen noemt, voor zijn doel gebruikt.
            Jeugdige overmoed. Of hoort hier een vraagteken? Ik weet zeker dat wanneer ik op mijn achttiende, met mijn stille eigen artistieke ambities van toen, van een ‘vriend’ een brief met dit soort archiveringsoproepen en grootheidsvisioenen had ontvangen, ik die brief acuut zou hebben verscheurd (ik lijk in dat opzicht op mijn vader) en de schijnvriendschap zou hebben verbroken.
            Die Tiny is zo gek geweest om inderdaad de post van Bertus te bewaren, met als gevolg dat Bertus postuum met de bruingebakken peren zit. Ha!

Nu toch maar weer even verder in de biografie. Lucebert leert Gerrit Kouwenaar kennen, die enthousiast over zijn gedichten is, enzovoort. Ik ga er als met een drone overheen. Daal soms even af. Zoals bij een zin als deze op pagina 180: ‘Ik heb mij enorm verdiept in mijn innerlijke leven.’ Dat zegt Lucebert, aldus Hazeu, in 1976 over de oorlogstijd. Het is niet bedoeld als poëzie, hè, maar toch vind ik dat een dichter niet zulke bullshit mag uitkramen, want wat is dat, je enorm verdiepen in je innerlijke leven? Hoe doe je dat? Het is ongetwijfeld een persoonlijk mankement, maar niet alleen kan ik me bij dit soort psychosocio-uitlatingen niets voorstellen, ze ergeren me ook acuut omdat bijna iedereen ze als echte en afdoende verklaringen beschouwt. Kleffe zoete kletskoek.
             Op dezelfde bladzijde begint het volgens zijn biograaf tot Lucebert door te dringen dat hij zich van van alles en nog wat moet losmaken en dat hij moet zoeken naar ‘een volledig kunstenaarschap’.
            Het volgende hoofdstuk heet ‘Het ontwaken’.

[We zullen zien.]