dinsdag 20 februari 2018

BIJ HET LEZEN VAN EEN LUCEBERTBIOGRAFIE - 13 - SLOT


R.M. Rilke en een lege bank
Lucebertbiograaf Wim Hazeu is er dol op zich te laten fotograferen bij standbeelden van schrijvers, moet je maar eens hier kijken. Ik weet niet of er al ergens een Lucebertstandbeeld, Lucebertgedenkstätte of - plaquette bestaat (op de gevels van geboortehuis en woonhuizen uit zijn Jordanese jeugdjaren is niets te bekennen), maar zo niet, dan acht ik de kans voor Hazeu verkeken om zelfs nog te poseren onder een doodlopendesteegnaambordje met de naam Lucebert. Door eigen toedoen, wat overigens des te meer te waarderen is.
*
Wel word ik ingelicht over hoe Lucebert de katten van Kouwenaar en die van zichzelf noemde, maar over waarom hij altijd maar ogen frontaal schilderde zal ik in de biografie niets te weten komen. Wat dan over de invloed van de door Lucebert zo geliefde Rilke (‘een van de grootste dichters van deze eeuw’) op zijn poëzie?
            Rilke, Rainer Maria staat met twintig verwijzingen in het persoonsregister. (Wat een atypisch woord in zo’n soort boek, bedenk ik opeens. Maar ik moet niet overal ietss achter zoeken.) Zoals verwacht geen vinger die me op concrete Rilkelicht- of schaduwplekken in gedichten van Lucebert wijst. Hazeu citeert wel Lucebert zelf over de invloed van Rilke: ‘Deze invloed heeft niet zo veel formele sporen achtergelaten, maar mijn poëtische denkwijze is er in niet gering mate door gevormd.’
            Voer voor theoretici in de zachte sector dus. Oegema weer doorploegen maar? (De taal van Lucebert werkt aanstekelijk.) 

*
Toch ben ik eigenlijk alleen geïnteresseerd in die concrete gedichten of, beter, in de concreetheid van die gedichten.  Wanneer ik op bladzijde 618 lees dat de militaire putsch in Chili in september 1973, met als gevolg ‘arrestaties, folteringen, twintigduizend vermoorden’ Lucebert ‘beroerde’, kan ik daar wel weer vraagtekens bijzetten, wat ik hierbij dus ook doe, aangezien de dichter toen zelf onder de Francozon vertoefde. (De historicus Antony Beevor schatte dat het aantal dodelijke slachtoffers van Franco na de burgeroorlog boven de 200.000.) Maar wat ik ook eens wil doen is bekijken welke poëzie hij van zijn beroerd-zijn bakt, want, aldus Hazeu: ‘Over dit moment in de geschiedenis kon de dichter Lucebert niet zwijgen. Was hij niet de enige geëngageerde Nederlandse dichter in zijn tijd?’ – Meer en meer beschouw ik deze biografie als een test van mijn cynismebestendigheid!
            Lucebert schreef dus een gedicht, getiteld ‘chili – allende’. Hazeu citeert de eerste twee strofen. Dit is de eerste en – voor als je het nog niet in de gaten had, geachte lezer – ik ben een mierenneuker:

als een eenzame mier op het asfalt
of als een bij in de nacht
nog onder de helm zonnige herinneringen
stond hij voor de muur

Heb ik geen greintje lyrisch of poëtisch gevoel in mijn donder wanneer ik dit niet wens te pikken? Het zij zo. Een eenzame (in de betekenis van ‘alleen’) mier op het asfalt: oké, ik zie het voor me. Maar iemand die voor een muur staat als een eenzame mier op het asfalt? Dat vergt nogal een kubistische capriool. Mogelijk mis ik een hiervoor essentieel segment in mijn visuele brein. Maar ik vind het sowieso te veel: mier = mens & asfalt = muur. Bij ‘een bij in de nacht’ kan ik me eveneens iets voorstellen: die zit s nachts het liefst tussen haar soortgenoten in de warme, zacht gonzende korf of anders, wanneer ze de laatste bijenbus heeft gemist, stilletjes alleen op een blad of tegen een boom. Maar een ‘hij’ als een bij in de nacht voor een muur…? Staat die hij dan met zijn onderlijf tegen de muur, zoals een bij dat zou doen?
            Wat ik me bij een dichter als Lucebert altijd heb afgevraagd: zou zo’n dichter ooit een goede redacteur hebben gehad? Is het niet zo dat het primaat van de strikt persoonlijke dus ‘vrije’ associatie een redactie bij voorbaat alle wind uit de zeilen neemt en dus overbodig maakt? Maar zou zo’n vrij associërende geest niet juist een droogkloot met geslepen rood potlood behoeven? Ik heb het gevoel – ja sommige gevoelens heb ik dan weer wel – dat er nooit iemand aan Luceberts gedichten is durven komen.
            Op mijn kunstacademie hing in elke werkruimte, bij schilderen, model tekenen, grafiek, de aansporing, zonder dat die zichtbaar hoefde te zijn: afkijken geboden. Er waren overigens zeer getalenteerde en minder getalenteerde afkijkers; hoe beter je kon afkijken, des te meer werd er bij jou afgekeken.
            Ook op literair gebied heb ik eigenlijk altijd een of twee anderen laten meelezen, -kijken en -schrijven. En dat doe ik nog steeds, terwijl het omgekeerde net zo gebeurt. Wat niet wil zeggen dat een bevriend meelezer (die identiek is aan een meelezende vriend, en die daarbij liefst zelf ook schrijver moet zijn) alles aan suggesties voor correcties van mij zou moeten aan- en overnemen of dat ik het altijd beter weet of zie, maar hij moet het wel gezegd gehad willen hebben. Meer dan eens en dus telkens weer heeft het me verbaasd wanneer ik een dichter (maar dat was dan nooit tevens een vriend) een of meer goede suggesties betreffende een bepaald gedicht aan de hand dacht te mogen doen en een, soms zelfs panische, schrik- en afweerreactie of juist minachting als dank mocht ontvangen. Enfin. Luceberts poëzie mag je voor velen (in het getalsmatig onaanzienlijke gezelschap van lezers) op allerlei manieren lezen, met je hart, met je tenen, met je trommelvliezen, met je ogen dicht, met je mystiek, met je Jung, met je yin en yang, alleen niet broodnuchter en close.


Mij een worst. Ik wil gewoon voor mezelf weten waarom ‘indonesia’ niet alleen ‘gemarteld’ wordt genoemd, want dat meen ik vanuit mijn kennis van de geschiedenis wel te snappen, maar waarom ‘indonesia’ een ‘bruid’ is, de ‘onze’ nog wel, en waarom wij dus haar bruidegom zijn… Wie zijn of waren de ouders van bruid indonesia? Of was ze een wees? Gaat het om een gedwongen huwelijk? Door wie gedwongen of verplicht dan? Door onszelf? Schrijven we haar daarom een ‘minnebrief’, omdat we toch van haar houden? Of is dat cynisch bedoeld?
            Zie je, het gaat alleen nog maar om een titel en ik kom er al niet meer uit. Ongeschikt, ik. O, misschien hoort dat ook zo? Ja, het klinkt wel fraai, ‘minnebrief aan onze gemartelde bruid indonesia’, dat geef ik toe… Moet ik me dan toch maar gewoon overleveren en niet proberen kampioen te worden van het gezond verstand? Maar zal ik ook niet tot de allerlaatsten behoren die verklaren, en dat alleen onder lijfelijke dwang, dat kunst alleen iets cerebraal begrijpelijks hoort te zijn? En, o, ook ik wil me kunnen verliezen en kunnen zwijmelen, wijs me de weg naar de dancing, vertel me wat de openingstijden zijn, waar de ingang is, hoe ik langs de uitsmijter kom. Maar laat me niet eindeloos aan een deur staan morrelen om uiteindelijk als in een geïnverteerd Kafkaverhaal te moeten vernemen dat het daar altijd om is gegaan, om dat gemorrel, want dat er achter de deur helemaal niets was.
            Daarnaast krijg ik meer dan eens de indruk dat Luceberts spelenderwijs vrij associëren, door de dichter zelf weleens ‘het grote alchemistische werk’ genoemd – de slechte mondlucht bij die woorden is niet van mij –, op plaatsen uitermate particulier van aard is. In Hazeu’s boek is daar een mooi – slecht gekozen woord –, is daar een navrant voorbeeld van te vinden. Iemand van wat we een werkgroepje of fanclubje zouden kunnen noemen, vertelde in het bijzijn van de dichter dat hij vergeefs had geprobeerd het volgende kwatrijn te decoderen:

tellby toech tarra
inna nip
inna nip
tarra toech tellby

 Lucebert vond het erg eenvoudig. Maar eerst merkte men nog op dat in het oudste manunscript in de eerste regel niet ‘tarra’ maar ‘terra’ had gestaan, waardoor toen de laatste regel geen omkering was van de eerste… Verdorie zeg! Wat nu? Brillen besloegen ervan. Maar ook de verklaring daarvoor was simpel: een typefout. En toen de betekenis van dit kwatrijn. De dichter: ‘Het gedicht gaat over boekhouden en rekenen. Ik ben bang voor rekenen, ik doe het ook nooit. […] Het gaat over tellen: inna nip. inna nip, dat is ook: in een wip. [… En] In “toech” zit “teach”.’ En zo meer.
            Dat moet je je eens voorstellen, beste lezer en geachte Samuel Beckett: vier volwassen mannen, een tandarts van 56, twee docenten van respectievelijk 40 en 36, en een dichter van 47 over tellby toech tarra inna nip inna nip tarra toech tellby! En lieber Kurt Schwitters, alsof je gedicht 'fmsbwtcu’ uit 1921 niet afdoende was geweest of nonexistent was; ach, Holland, hè, een halve eeuw later.
            En daar buigen zich tot op heden scholieren over in opdracht van hun leraar Nederlands, met briljante resultaten als dit op scholierenpuntkom, gebaseerd op een poging van C. Buddingh’.
            Ik wacht op de eerste academische, nee, niet-academische studie over wat het misverstand Experimentele poëzie en vrije expressie cultureel heeft aangericht en wat het nog steeds in menig warrig dichters- of dichteressenhoofd aanricht.
            Hé, kijk, nu kom ik al googlend ook weer een van mijn favoriete literatuurhoogleraren tegen! Mag ik alsjeblief nog even, lezer, nu we toch eenmaal in het kinderlijke en kinderachtige zijn beland? Inderdaad, je vermoedde het al, hè? Thomas Vaessens, Universiteit van Amsterdam, leverancier van nieuwe docenten Nederlands.
            ‘Als illustratie citeert Vaessens deze strofe,’ zo lees ik hier: ‘tellby toech tarra/ inna nip/inna nip/tarra toech tellby. Deze regels communiceren niet, maar zijn veeleer een protest tegen eenduidige communicatie en tegen een wereld waarin het pragmatisme hoogtij viert. Luceberts gedichten willen de lezer geen orde in de chaos bieden, ze willen die zoektocht naar orde juist frustreren.’
            Tel je frustraties bij elkaar en je weet hoe goed het werk is dat je hebt gelezen, tel bij, tel bij, in eh, je culturele knip, zoals de teacher leert, want tarra is al wat niet frustreert. Simpelly toech?
*
En toch… In de allereerste aflevering van deze reeks leesverslagen merkte ik al op dat ik me als dichter vaak oplaadde aan de poëzie, aan de taal van Lucebert. Ik zal je niet langer ophouden, lezer, ik ga eens rustig een goed en mooi gedicht van de man zoeken, dan kun je dat zelf ook gaan doen.

[Eerdere afleveringen zijn via deze links te vinden: 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12]
             

maandag 19 februari 2018

BIJ HET LEZEN VAN EEN LUCEBERTBIOGRAFIE - 12 - EN TWEE BRIEVEN


Uiteraard met toestemming van de afzenders hieronder twee brieven (e-mails) van bevriende kunstenaars. De eerste is van schilder Rik Lina. Hij schreef me het volgende naar aanleiding van die speciale vleugel ooit bij het Amsterdams Stedelijk Museum (zie aflevering 11):

Beste Huub,

De ‘nieuwe Vleugel’ werd speciaal gebouwd als expositieruimte voor de Amsterdamse kunstenaarsverenigingen. Dat waren er in die tijd nogal wat, zodat de vleugel het hele jaar werd gebruikt. Dat zinde de museumdirectie natuurlijk niet, ook omdat die het Amsterdamse werk beneden de maat vond.
            Er stond dus een groot bord voor de bezoekers dat deze expositie buiten de verantwoordelijkheid van de directie was. Zelfs bij de exposities van de jaarlijkse kunstaankopen (jaja... die waren er destijds! evenals de Rijksaankopen en Provinciale…allemaal wegbezuinigd).
            Het begon ermee dat verenigingen werden samengevoegd en dat nieuwe groepen geen toegang kregen etc…. Langzaam maar zeker hield het op, werden de verenigingen verjaagd naar Museum Fodor, zodat de vleugel gewoon een onderdeel werd van het museumprogramma. De enige Amsterdamse (nou ja...) kunstenaar die ik er nog zag was Karel Appel. Mijn werk heeft er ook enkele malen gehangen in de jaren 70, met de ‘Nederlandse Kring van Tekenaars’, en ik richtte er exposities in van de Kunstaankopen.
            En toen ging de beuk erin… Op de foto zie je ‘madame’ wethouder Gehrels enthousiast de ruiten ingooien. Een schitterend bewijs van de totale barbarij van de Nederlandse overheid. Kunst heeft geen nut, dus weg ermee, en helemaal kunst van dat zootje tuig uit Amsterdam.
            Ik was eind jaren 70 al voorgoed afgeknapt op het hele Vaderlandse kunstbeleid en ben met ons gezin geëmigreerd naar de Antillen.

Hartelijke groet,
RIK

De tweede is van vriend Benno Barnard. Zijn vader, Willem Barnard (dichter Guillaume van der Graft) figureert ook in de Lucebertbiografie van Hazeu. Pagina 77: ‘[…] meldde zich vrijwillig [voor de Arbeitseinsatzhb], net als Willem Barnard en Ad den Besten.’ Met als noot van Hazeu: ‘In de gesprekken die ik met Willem Barnard […] voerde en de vele tientallen brieven die wij schreven tussen 1981 en 2003, kwam een enkele maal de oorlog ter sprake, en de last die hij na de oorlog voelde omdat hij zich voor de Arbeitseinsatz had aangemeld. Het niet onderduiken zag hij als een voorbeeld van “schuldig verzuim”.’

Beste Huub,

Die Lucebertbiografie is belachelijk dik, alsof Hazeu zijn varken vetmest om het vervolgens te slachten. Je commentaren bij die slachtpartij zijn meeslepend: ik zie je kwaad worden als de idealist Lucebert na de oorlog ook nog eens een opportunist blijkt te zijn. De idealist: het is een angstaanjagende mensensoort. Een gewoon slecht mens berooft een juwelierszaak en is dan voorlopig tevreden, maar de idealist zal niet rusten voor hij het paradijs op aarde heeft gesticht, ondertussen zijn medemensen berispend wegens verkeerde opvattingen. In de kranten lees ik dat Lucebert als linkse voorman het tegendeel werd van de Hitlerbewonderaar en antisemiet. Maar het tegendeel van het nazisme is niet links, laat staan extreem-links - het tegendeel van het nazisme is de saaiheid van het burgerlijke midden. Ja, ik ben een extremist van het centrum!
            Nu over mijn vader. Hazeu, lees ik bij jou, noemt Willem Barnard als iemand die zich vrijwillig voor de Arbeitseinsatz heeft gemeld; na de oorlog, vertelt hij in een aantekening, toen mijn vader vooral Guillaume van der Graft wilde zijn, een dichter in de periferie van de Vijftigers, ergens halverwege Nijhoff en Lucebert, en in zijn beste werk een gaaf lyricus... na de oorlog dus heeft hij in brieven aan Hazeu het niet-onderduiken 'schuldig verzuim' genoemd.
            Zo wekt de weinig subtiele Hazeu de misleidende suggestie dat mijn vader uit sympathie voor de Duitsers naar Duitsland zou zijn gegaan... Welnu, de zaken liggen wel even anders dan Hazeu suggereert.
            Mijn vader was een Rotterdammer, zijn stad was gebombardeerd, mensen die hij kende waren gestorven, maar dat drama was niet eens nodig om het nazisme te haten, hij was intellectueel onderlegd genoeg om die ideologie te doorzien. Vergeet niet dat hij een leerling was van de theoloog Miskotte, die in 1939 het nazisme in het fenomenologische meesterwerk Edda en Thora als het nieuwe heidendom omschreef. Bovendien had hij van vaderszijde gematigde socialistische sympathieën, van de soort die wij vandaag ‘sociaal-democratisch’ zouden noemen.
            Maar er speelde nog een ander soort moreel besef mee: vrienden van hem waren opgepakt of durfden niet onder te duiken. Mijn vader – in die tijd, 1943, al verloofd met mijn moeder – heeft toen besloten zijn vrienden niet in de steek te laten, mede gedreven door de gedachte dat hij als student theologie mensen misschien moreel kon bijstaan. Dat laatste is ook gebeurd. Mijn vader sprak en bad met mensen. Wij kunnen ons dat misschien moeilijk voorstellen – sowieso kunnen we ons weinig voorstellen van het leven in die oorlog, behalve dan het spektakel zoals verbeeld in films. Maar het geestelijke leven, de morele beslissingen, het sentiment, de doodsangst, de heldenmoed, goed en kwaad als concrete, tastbare werkelijkheden... jij en ik hebben nooit iets meegemaakt.
            Goed, ik las dus bij jou wat Hazeu achteloos aanroerde. Toen was jij nog vooral onthutst vanwege de rol van Lucebert voor hij Lucebert werd. Maar vervolgens publiceerde je je aantekeningen over de naoorlogse Lucebert, de grote linkse voorman, die gezellig in het Spanje van Franco ging wonen en dat verkocht als een vorm van solidariteit met de gewone, ‘echte’ Spanjaard. Je was woedend. En ook ik was woedend. De opportunist! Moraliseren over onze gemartelde bruid en van een ander gemarteld meisje naar hartenlust profiteren!
            En weer dacht ik aan mijn vader, die ik meer dan eens in tranen heb gezien, gekweld als hij werd door schuldgevoel. Niet vanwege die Arbeitseinsatz: zijn geweten was zuiver. Hij vertelde eens hoe een Rus en hij altijd Stalin dobr! tegen elkaar zeiden, want Stalin was toen nog een bevrijder en die groet wiste de Heil Hitlers om hen heen als het ware uit.
            Wat hem kwelde was zijn lafheid: hij was geen verzetsstrijder geworden, hij had geen pistool durven oppakken, hij had zichzelf een zwakke humanitaire missie aangepraat en was in arren moede naar Berlijn getrokken, vanwaar hij een jaar later met de tuberculose in zijn longen weer naar huis was gestuurd, een overlevende van hevige bombardementen, getraumatiseerd voor de komende zes, bijna zeven decennia. Wat hem kwelde was dat hij geen enkele Jood had gered.
            Jouw aantekeningen over de Keizer bij de Caudillo lezend, herinnerde ik me hoe mijn vader meer dan eens uitnodigingen voor Stellenbosch had afgeslagen. Je kon niet naar het Zuid-Afrika van de Apartheid reizen, vond hij, al was hij zich er heel goed van bewust dat de toenmalige culturele boycot uitsluitend Afrikaanstalige dichters en academici trof, die in overgrote meerderheid anti-Apartheid waren, en de economische belangen van Verwoerd en de zijnen nog niet met een schampschot raakte.
            Vergelijk dat eens met Lucebert.
            Groot dichter.
            Groot opportunistisch varken.

BIJ HET LEZEN VAN EEN LUCEBERTBIOGRAFIE - 11 - EN DE DOEDELZAKKOE


Het valt me op dat Hazeu na zijn onthullingen van leven en ideeën van Bertus Swaanswijk in de oorlogsjaren niet telkens doorpakt waar dat zou kunnen. Dat kan komen doordat hij, zoals hij laat weten, de brieven uit de oorlogstijd aan Tiny pas kreeg nadat hij zijn biografie zo goed als klaar had. Ik kan me ook goed voorstellen dat hij die debunking op zich al heftig genoeg vond. Inderdaad is de waarde van de poëzie van Lucebert behoorlijk gekelderd door Hazeu’s, dus door eigen toedoen. Bij poëzie gaat het dan vooral om de ethische en esthetische en culturele waarde van het werk. Bij de beeldende kunst ligt dat anders. Musea voor moderne kunst en rijke verzamelaars hebben er alle belang bij dat de financiële koers van de werken in hun verzameling niet inzakt. Dat is ook een van de redenen waarom modernekunstmusea, vaak aanvankelijk instellingen waar ruimte geboden werd aan wat niet goed in de markt lag, nu verstokte behoeders van de eigen kunstcollectie en -ideologie zijn, en waarom ze zich almaar meer hebben geconformeerd aan de internationale trends, lees: kunstmarkt. Bijzonder veelzeggend vind ik het dat het Amsterdams Stedelijk Museum ooit een vleugel had voor exposities van kunstenaars uit de eigen stad, maar dat daar na de verbouwing tot instituut met de ambitie van internationale allure te zijn, volstrekt niets meer van overgebleven is.
            De uitgave van de Lucebertbiografie door De Bezige Bij bevat overigens een amusante blunder. In het katern met reproducties van schilderijen van Lucebert zijn twee exact dezelfde schilderijen naast elkaar te zien, het ene heet ‘Ketters 2’, het andere ‘Ketters 4’. Wellicht denkt menige kijkende lezer hierbij onwillekeurig aan Goya, die voorzag immers ooit twee precies dezelfde scènes van twee verschillende titels: ‘Gewonde metselaar’ en ‘Dronken metselaar’, ook al omdat Hazeu het op pagina 674 heeft over Goya alvorens die ‘Ketters’ van Lucebert te noemen. Maar over identieke ketters bij Hazeu geen woord. De lezer kan zich dan afvragen of Lucebert soms meerdere exact gelijkende expressieve schilderijen heeft vervaardigd, voor de verkoop wellicht. Maar zoiets kan toch helemaal niet met een dergelijke spontane schilderwijze? Ha, zie hier Karel Appel! Of zou de ene ‘Ketter’ een vervalsing zijn van de andere? Zoiets komt voor, zoals bekend. Dezelfde Appel heeft zelfs ‘Appels’ gesigneerd die hij niet zelf had vervaardigd – wist hij veel, als barbaar in barbaarse tijden rotzooide hij immers maar wat aan. (Lees Geert Jan Jansen, Magenta – Avonturen van een meestervervalser, Amsterdam 1998.) Maar nee, dit is niets anders dan een stommiteit van de uitgeverij, want zie hier de hele, vijfdelige reeks ‘Ketters’ die Lucebert in 1981 schilderde: 

De vierde had dus naast de tweede in het boek moeten staan.
            Overigens is het een reeksje werkelijk prachtige schilderijen. Waarbij ik me wel opnieuw afvraag waarom en hoe een kleurenblinde…
            Lucebert is sowieso een veel interessantere schilder dan Appel, terwijl een Appel qua handelswaar praktisch altijd een nul meer ‘doet’ dan een Lucebert. (Als je goed in de slappe was zit en genoeg interesse hebt, lezer, sla dan op 7 maart je slag bij Christie’s.)
            Toch zit ik ook meteen weer met een nieuwe vraag: waarom heten die schilderijen, dus ik neem aan, de figuren op die schilderijen ‘ketters’? 

Hazeu haalt in de passus bij deze schilderijen een brief van Lucebert aan waarin het heel even gaat over Goya’s ets ‘De slaap van de rede baart monsters’, in positieve zin uiteraard.
            Goya toont dus met zijn voorstelling het gevaar van het uitschakelen, het in slaap vallen van de rede, het de ogen sluiten voor verlichting. Hazeu: ‘Bij Lucebert keerden die monsters terug in mensengedaante.’ Goya heeft ook heel wat monsters in mensengedaante weergegeven. Maar ketters bij Goya zijn steevast mensen zonder monstergedaante, vernederden, slachtoffers! 

Hoe moet ik dan de ketters van Lucebert zien? Deze ‘ketters’ lijken monsters waar je niet ten onrechte bang voor moet zijn. Of zijn ze zo gemaltraiteerd door de inquisitie? Of worden ze door hun vervolgers zo gezien? Maar dat laatste is onwaarschijnlijk, het blijkt uit niets, ook niet uit de titel. (Weinigen die met titels van tekeningen, etsen en schilderijen subtiel zoveel konden zeggen als Goya.) Er is voor de beschouwer geen inleving of herkenning mogelijk in de gestalten van deze wezens.
            Weet je wat het is, denk ik: Lucebert kon iets níet wat Goya wél kon: schoonheid weergeven. Luceberts ‘schoonheid met een verbrand gelaat’ kan natuurlijk kraken en wringen zoveel en waar het maar wil, maar zo gauw Lucebert ‘realistischer’ wordt, ‘gaver’ zou willen of moeten worden, bijvoorbeeld bij wijze van noodzakelijk contrast, dus iets van de schoonheid zelf zou moeten laten zien, gaat het in vormelijk opzicht mis, wordt het onhandig wringen en krampachtig: hij kán dat simpelweg niet. In dat opzicht is de schilder Lucebert een beperkt kunstenaar, in elk geval vele malen beperkter dan Goya (of Picasso). Waarmee weer niet gezegd wil zijn dat zijn schilderijen geen schoonheid kunnen hebben. 

Toch nog even terugkomen op werk en authenticiteit. Hazeu op pagina 607: ‘Ondanks de betrachte zorgvuldigheid werd niet voorkomen dat het gedicht ‘Bernard benard’ van uitgever-dichter Theo Sontrop aan Lucebert was toegeschreven.’ Sontrop had voor het kerstnummer van Vrij Nederland in 1962 een Lucebertpastiche geschreven. En die kwam terecht in de door de dichter geautoriseerde uitgave van zijn Verzamelde gedichten in 1974! Geen nieuwtje overigens. Ik heb de dichter Lucebert altijd vrij goed bijgehouden en heb die tweedelige uitgave hier liggen. Dit is het gedicht:

bernard benard

toch paarden zachte dadeldraaiers
maar hij meent wellicht: benard men ik
de hitse kleppers, Ben Hur van de ar ik
een fangio-achtige renner in blauwdruk
maar nee: de nar van het veen hij hoe
oerbol kijkt toe de doedelzakkoe
denkt hij b.v. hurkend ben ik hard op weg
oubakken ijs doorklievend met de sliptang
ja, ja, geklak van zijn lipslang, een auriga
bronzen agrariese menner, teugels vierend maar nooit feest
en luister agrariër mestboer
simpel op weg naar de silo de brilslang voor kuilgras
brechtboer moord en brand schreeuwt de oorlog 30 jaar lang
– bernard nooit jarig nooit 30 want schrikkeljarig geboren –
o roep toch mobazijnen lanskenet, pilopias, schielijke
oprichter van de boerenleenbank ter plaatse, de knip te benauwd
om je daalders te lozen
nur narr bernhard nur dichter und bauer
de kleppers schalkse hakkeneien indien door dames bereden
benart hen wellicht de bezotskapte haam?
nee snachts zij verraspen bibberend haver
denkend aan bernard de mepper de blaaskop
tergend geprent op hun netvlies.

Je vindt dit gedicht hopelijk niet moeilijk, beste lezer? Want het is een uiterst eenvoudig gedicht, het is namelijk klinkklare onzin.
            Ik vind het zeer beschamend voor een dichter dat hij zich zo bij de neus heeft laten nemen, dat wil zeggen, dat hij kennelijk de ene Lucebert niet van de andere kon onderscheiden: wat mag je dan van een buitenstaander als je lezer verwachten?
            Maar wat ik tot nu niet kende was de reactie van Lucebert nadat het misverstand aan het licht was gekomen. ‘Van een vergissing wilde Lucebert niet spreken,’ schrijft Hazeu. Dat doet me allereerst denken aan Picasso die eveneens namaakwerk van zijn signatuur had voorzien en toen dat duidelijk werd opmerkte dat hij het nooit zou hebben gesigneerd als het niet Picassokwaliteit zou hebben gehad, zoals hij ook weleens een schilderij als een echte Picasso weigerde te erkennen hoewel men het hem zelf had zien schilderen. Ja, zulke jongens moet je voor meer dan één gat zien te vangen. Of neem Salvador Dali, ‘deze aartsvervalser van zijn eigen werk, signeerde 20.000 lege bladen voor lithografieën die hij nooit had gezien’ – Eric Hebborn, The Art Forger’s Handbook, Londen 1977.
            Lucebert schrijft in 1977 in een brief dat Sontrop ‘mediamiek begaafd’ moet zijn geweest en dat hij ‘dit uitzonderlijk paranormaal gedicht telepatisch [moet hebben] ontvangen’, want: ‘welke Bernard werd ooit zó benard dat hem in een kort gedicht de hele duitse geschiedenis van obskurantisme achterna gegooid kan worden?’ Bovendien kon zoiets ‘ook heel mooi zijn’ en het gaf ‘reliëf aan de anonimiteit dat elk gedicht in zich moet hebben, en bij het besef van die mogelijkheid mag ook elk geweten tot rust komen.’
            Hazeu doet het niet, maar ik vind het zinnig om dat nog eens goed over te lezen. Opnieuw toont Lucebert zich verrassenderwijs een aanhanger van de autonomistische poëzieopvatting. Opnieuw zorgt dat voor rust voor het geweten. Met dat ‘geweten’, denkt de adressant in 1977, zal Lucebert het geweten met betrekking tot het signeren van een vervalsing hebben bedoeld. Maar nu, in februari 2018, denk ik nog iets anders…
            Zal Bertus Swaanswijk het hem niet opnieuw, zo’n 25 jaar na Aafjes’ SS, geknepen hebben? Ik denk dat hij, toen hij wist dat het van Sontrop was, dat gedicht heeft zitten lezen zoals menigeen de gedichten van Lucebert probeert te lezen: amechtig trachtend te achterhalen wat er achter al die abracadabra schuilgaat, altijd maar vermoedend dat er iets anders of meer bedoeld is dan er staat, hineininterpretierend dat het een lieve lust is. Hoe komt hij anders bij die ‘duitse geschiedenis van obskurantisme’? Heb jij dat erin gelezen, beste lezer? Ik totaal niet. Ja, hoera, zal Lubebertus mogelijk hebben gedacht, het zal over die niet te vertrouwen prins van Duitse afkomst gaan, Prins Bernhard, en daarmee in hemelsnaam en gelukkig niet over iemand anders met een obscure Duitse achtergrond, de Keizer der Vijftigers in zijn krijgsjaren … Tsjonge, weer een bliksemafleider op het eigen huis, andermaal glimpflich davon gekommen! En dan dat ‘reliëf’ van het gedicht… Het is zo plat als een dubbeltje. Laat Lucebert niet vooral zien dat het feit dat dit gedicht is kunnen opduiken in zijn eigen verzameling, het failliet van die verzameling is?

[wordt vervolgd]

zondag 18 februari 2018

BIJ HET LEZEN VAN EEN LUCEBERTBIOGRAFIE - 10 - ANDERMAAL SCHRIKKEN


Eerder gebruikte ik het woord ‘opportunist’. Bij het volgen van het spoor ‘Franco’ in de Lucebertbiografie, meldt die benaming zich opnieuw.
            Lucebert was in de zomer van 1963 met zijn vrouw Tony vanuit het Zuid-Franse plaatsje Lagrasse Spanje, dat wil zeggen Catalonië, gaan verkennen. Al gauw was hij verliefd geworden op dat land en had hij het besluit genomen er te gaan wonen en werken.
            Hazeu op pagina 533: ‘Had hij vanuit Duitsland in 1944 niet aan zijn vriendin Tiny zijn verlangen naar Spanje al beschreven?’
            Trekt de biograaf deze verbindingslijn opzettelijk of onbewust?
            Lucebertus schrijft in een brief: ‘[…] je bent er op slag al je zorgen kwijt. dat spanje een rottig arm onvrij fascistisch geregeerd land is, ook dàt vergeet je er, nu hebben jullie al wel begrepen dat het voor mij, en ook voor Tony, het land is waarvan we zeggen “dahin dahin möcht ich mit dir, o mein geliebter zieh’n” (Goethe).’
            Legt Lucebertus deze verbindingslijn opzettelijk of onbewust? In Duitsland had hij ook al met Goethe gedweept: ‘O wie fühl ich in Rom mich so froh! gedenk ich der Zeiten, / Da mich ein graulicher Tag in Norden umfing…’ (Vervang voor Bertus Swaanswijk even Rome door Spanje.)
            Lucebert wist heel goed dat veel kunstenaars en intellectuelen er niet over peinsden om alleen al op vakantie te gaan naar het Spanje onder een fascistische dictatuur, laat staan om zich er te vestigen. Zoals hij ook wist wat er met de dichter Lorca was gebeurd bij de Fuente Grande langs de weg tussen Viznar en Alfacar, dat de door hem bewonderde Picasso zijn vaderland niet in kon, enzovoort. Juan Ramon Jiminez, Rafael Alberti, Jorge Guillén, Luis Buñuel, … ik zal maar stoppen met namen opsommen. Ja, Lucebert noemde later, in een vraaggesprek, de schilder Arroyo als voorbeeld van jongere Spaanse schilders die hij had ontdekt, waarbij hij wel verzweeg dat deze Arroyo, die generaals schilderde zoals die zichzelf niet geschilderd wilden zien, in ballingschap in Parijs moest werken en dat hem daar zijn Spaanse staatsburgerschap werd ontnomen.
            Ach, daar merkte je in het gewone leven zo goed als niets van. Zoals je in de oorlogsjaren in de sociaal genoeglijke Jordaan er kennelijk ook niets van merkte dat joodse jordanezen uit hun woningen werden gehaald. Kijk eens op de site van Joods Monument, beste lezer, en zoek alleen al eens naar Lauriergracht 74, waar op driehoog het (sefardisch, dus Spaans joodse) gezin Nunis Vaz woonde, met onder anderen Samuel en Isaac, leeftijdgenoten van de in die gezellige buurt vlakbij wonende Bertus Swaanswijk, en op Lauriergracht 52, dus naast het geboortehuis van dezelfde Bertus, of op Lijnbaansgracht, vertegenwoordigd met 12 adressen…
            Als excuus voor of zelfs motivatie van het verblijven in Franco’s Spanje werd aangevoerd dat toeristen alleen maar goed waren om de dictatuur aan het wankelen te brengen. ‘De toenemende welvaart […] versterkte de positie van de bewoners en beïnvloedde daardoor de politiek,’ aldus Spanjeganger Ad Petersen, conservator van het Stedelijk Museum. Mag ik even mijn wenkbrauwen fronsen en een zure oprisping ruimte bieden?
            Verbijsterend is ook wat Spanjeganger Bert Schierbeek (optrekje op Formentera) al in 1950 in nota bene De Groene Amsterdammer had geschreven: ‘De Spanjaard weet dat het leven nog goed kan zijn onder een dictatuur […]. De Spanjaard is van nature en door omstandigheden een asceet, een mens die afstand van veel wereld kan doen om zijn eigen persoonlijke wereld te behouden.’
            Mijn hemel! DE Spanjaard, DE Hollander, DE Duitser, DE Pool, DE…
            De Hollandse kunstenaars als linkse missionarissen – laat me niet pijnlijk lachen! Die jongens zaten toch vooral lekker in het zonnetje aan de wijn en de paella, kom nou toch! Als Lucebert met een stel bouwvakkers, die werken aan zijn Casa Lluca, aan een tafel paella uit een pan zit te lepelen noemt hij dat ‘een heerlijk gebruik, wezenlijke demokratie, dunkt me. dit is de les die het èchte spanje ons, in abstrakties elkaar haarklovend, bij tijd en wijle steeds weer leert, ondanks señor Franco en zijn bende.’
            Niks aan het handje eigenlijk, al die jaren. Totdat op 20 november 1975 (ruim een jaar na de val van het kolonelsregime in Griekenland) bekend wordt gemaakt dat Franco is overleden.
            Hazeu: ‘De bordjes die in de cafés hingen met de tekst “Over politiek mag niet gesproken worden” [die onze grote geëngageerde dichter Lucebert dus twaalf jaar lang had zien hangen - hb] verdwenen. In Jávea, in Valencia, overal waar hij kwam, voelde Lucebert dat de sfeer op straat was veranderd. Er was niet meer de dreiging van arrestaties, politieke processen en gevangenissen.’
            En nu Lucebert zelf, die zich in Spanje als een vis in het water had gevoeld: ‘Het was het verschil van dag en nacht, van gevangenis en speeltuin.’
            O, toen opeens wel!
            Opportunist. Hypocriet.
            Godverdomme! Vijftig jaar later voel ik me met terugwerkende kracht verneukt. Toen de 17jarige scholier van klas 4A zijn protestgedicht tegen oorlog en geweld wrochtte, zat de stilistische en inhoudelijke aanstichter ervan aan de wijn en de paella alsof er geen vuiltje aan de lucht was onder de Francozon!
            Laat die man me nooit meer met een morele boodschap komen lastigvallen.

[moet worden vervolgd]

zaterdag 17 februari 2018

BIJ HET LEZEN VAN EEN LUCEBERTBIOGRAFIE - 9


Christie's Parijs 2012
Het gedicht aan het einde van mijn vorige stukje is – je had het natuurlijk al door, lezer – zo’n typisch vreselijk tekstgewrochtje van een puber. Ik wil daar straks nog even op terugkomen. Eerst nog iets over Aafjes en zijn aanval op met name Lucebert.

Zo gek was het niet dat Bertus Aafjes schrok van die nieuwe, experimentele poëzie en daarvan in de verdediging middels de aanval schoot. Ervan afgezien wat de cultuursociologen (tegenwoordig vaak verward en zichzelf verwarrend met academische literatuuronderwijzers en vice versa) vinden van de positiestrijd in het door hen in kaart gebrachte of te brengen literaire speelveld (waarbij ze nauwelijks of niet schijnen te beseffen wat in de moderne fysica al lang een gegeven is, namelijk dat de waarnemer de waarneming en het waargenomene beïnvloedt – of misschien beseffen ze dat stiekem juist maar al te goed… – hoe dan ook, what a job!) – dus afgezien van de persoonlijke belangen van Aafjes in de hiërarchie op het rotsje in het literatuurterrarium: zo pal na de oorlog komen aanzetten met het primaat van gevoelens en het irrationele… Niet voor niets betitelde Lucebert Aafjes als ‘kampioen van het gezond verstand’, waarbij hij dat uiteraard als sneer bedoelde.
            Was (en is) het fascisme niet juist op het irrationele gestoeld, waarbij de ratio louter werd (en wordt) ingezet om het monster van de irrationaliteit, van het ‘oer’- of onderbuikgevoel zijn werk zo grondig mogelijk te kunnen laten doen? Denk aan homo logisticus Eichmann, denk aan de Büromörder­, denk aan de knappe koppen bij de ontwikkeling van raketten en hun ladingen.

Ik heb al als scholier te horen gekregen dat de Cobraschilders bewust terug wilden naar de primitieve, kinderlijke uitdrukking, omdat die zuiver zou zijn, dat ze hun werk deden vanuit een opstand tegen de ontmenselijkte samenleving, enzovoort. En zo staat het momenteel op Wikipedia: ‘De Cobra-kunstenaars wensten in hun werk een vrije, spontane uitdrukkingswijze te bereiken, waarbij zij terug wilden keren naar de bron van het scheppen. Zij lieten zich daarbij niet alleen inspireren door tekeningen en schilderijen van kinderen en geesteszieken, maar ook door het eigen handschrift als meest persoonlijke uiting en, daarop aansluitend, door oosterse kalligrafie. […] Met hun spontane werkwijze en beïnvloed door de ideeën van Karl Marx richtten de theoretici van de groep […] zich op een nieuwe maatschappij, waarin de kunst niet alleen vóór iedereen zou zijn, maar ook dóór iedereen zou worden gemaakt. Wanneer eenmaal de esthetische normen van de klassenmaatschappij zouden zijn afgeworpen, zou de natuurlijke drang tot expressie los kunnen breken en een alomvattende volkskunst doen opbloeien. Kunst en leven zouden één worden.’
            Iedereen kunstenaar! Charlatan Joseph Beuys zou het nadien ook verkondigen, maar voor zijn hoekje vet in een museumzaal streek hij heel wat meer op dan wanneer mijn overbuurman van driehoog met hetzelfde idee naar het modernekunstmuseum was gestapt of wanneer alleen al alle bewoners van de Amsterdamse Vrolikstraat met soortgelijke ‘projecten’ waren komen aanzetten.
            Even checken of de naam Beuys voorkomt in Hazeu’s biografie. Getverdemme, in het register direct onder de mijne! Hazeu op pagina 490 over Jaap Mooy, schildervriend van Lucebert: ‘[…] Joseph Beuys, die hij met zijn vilten hoed een snob vond, de man van de leugens voor veel geld.’ Mooi zo, Jaap! 

Nog eerst dit. Ik heb als kind niet de tijd vóór de Tweede Wereldoorlog meegemaakt, ik ben uit hetzelfde geboortejaar als Luceberts eerste kind, Ward (niet van zijn latere vrouw Tony maar van ene Sylvia). Het heeft lang geduurd, maar op een gegeven moment in mijn volwassenheid ben ik gaan beseffen, met een schok die enkele dagen duurde, dat ik desalniettemin ook de tijd van vóór de oorlog heb meegemaakt, heb mogen meemaken. Niet alleen doordat er in mijn kindertijd veel verhalen over die periode werden verteld, maar vooral ook omdat het eerste wat door vrijwel iedereen gedaan werd, zo gauw de Duitsers weer, zoals dat in Limburg werd genoemd euver de pöl, dus aan de andere kant van de grens waren, het herstellen van de geleden schade was. Dus zaten er weer konijnen in hokken in de schuur bij oma, slachtte opa zelf zijn kippen, gleed er weer van een vrachtwagen schlamm (kolenslik) voor de deur waar ze antraciet niet konden betalen, werd de achtertuin nog niet gebruikt voor de aanleg van een gazon maar voor de verbouw van bonen, was er in nog geen enkel huis televisie of telefoon, was de enige, voor enkele uren in de straat geparkeerde auto, een Buick met Amerikaanse nummerplaat een sensatie, ging iedereen zondags naar de kerk en maandelijks biechten, kwamen slager en bakker met manden aan de deur, enzovoort.
            Het woord ‘restauratie’ schijnt voor iets verwerpelijks te staan. Ik ben echter blij dat ik op die manier verbonden ben geweest met een periode in mijn leven waarin ik er zelf nog helemaal niet was. Ik denk weleens dat de vernieuwers van de jaren na de oorlog in dat opzicht ook bedenkelijke slopers zijn geweest.
            Ik begrijp het dan ook niet goed waarom velen, onder wie kennelijk kunstenaars, vonden dat alles nu maar definitief aan kant moest; iemand met verstand van zulke zaken moet me dat maar eens proberen uit te leggen. Maar als er ongewenst volk bij me binnendringt, mij bedreigt, buren en familieleden verkracht en vermoordt, de boel verziekt en vernielt – zeg ik dan, zo gauw hij eruit gejast is, dat het ook maar beter is om het nooit meer te hebben zoals het voor die barbaarse inval was? Omdat het aan die situatie vóór de overweldiging te wijten was dat die overweldiging kon plaatsvinden? Zoals een verkrachte vrouw er zelf om had gevraagd?
            Adorno met zijn ‘Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch’ heb ik ook nooit begrepen. Ja, wel deels, maar niet helemaal en dus eigenlijk helemaal niet. Wat ik ervan meen te snappen is in elk geval dat Adorno zowel een zeer beperkt beeld moet hebben gehad van wat (artistieke) poëzie is (iets biedermeierachtigs wellicht, iets met bloemen en bijen) als dat hij de invloed of macht van poëzie zeer moet hebben overschat. Filosofen en poëzie, filosofen en kunst… Onlangs nog las Peter Sloterdijk een beroemd gedichte van Rilke met een beroemde regel op een cruciaal punt fout en voor eigen gebruik naar zich toe. Filosofen en poëzie: Holzwege.           

En dan dat misverstand van iedereen kunstenaar. Het heeft, samen met de expressietheorie van onder anderen Herbert Read, geleid tot grote verschraling in het kunstonderwijs, zowel op de scholen als naderhand op de kunstacademies – waar de schade nog altijd niet hersteld is en wellicht nooit meer hersteld kan worden.
            Zelf had ik de pech op het Thomascollege tekenles te krijgen van iemand die flink aangestoken was door het expressievirus. Aanklooien dus. Geluk had ik dan weer op de kunstacademie met een paar knarren van de oude stempel en vooral met het onderwijsprogramma dat nog niet aan de eisen van de tijd was aangepast.
            Cobra heeft ook menige ongetalenteerde de indruk gegeven er iets van te kunnen. Zo heeft ook de poëzie van Lucebert menigeen de indruk gegeven dat poëzie schrijven ‘jezelf uitdrukken’ was. En wie kan en mag daar nou over oordelen, over jou en hoe jij je uitdrukt! Je ziet de gevolgen en resultaten ervan tot op de dag van vandaag, en niet alleen in de buurthuizen en creatieve workshops, ook in menige uitgave van professionele uitgeverijen. Er wordt alom veel gebaggerd.
            Ik merkte in een van de vorige afleveringen van deze reeks op dat ik niet door Lucebert beïnvloed was. Maar dat klopt niet. Dat gedicht op het einde van de vorige aflevering, waar ik hierboven iets over zei, dat zou, weet ik, niet zo tot stand zijn gekomen wanneer de vervaardiger ervan niet in aanraking zou zijn gekomen met de poëzie van de Vijftigers, met die van Lucebert.
            Hoe weet je dat zo zeker?
            Omdat ik zelf de 17jarige maker ervan was. Dat gedicht is toen ook nog in een Limburgse krant afgedrukt. Tot ongenoegen van mijn vader, want die was bang dat ik een langharige raaskallende linkse rakker aan het worden was. Kort tevoren was er nog huiselijk heibel geweest omdat ik een sticker met johnson moordenaar tegen de kast op mijn kamer had geplakt. (President Lyndon B. Johnson mocht toen als bevriend staatshoofd geen ‘moordenaar’ worden genoemd. Met woordgrappen als ‘Johnson molenaar’, kon justitiële straf omzeild worden.) Maar misschien was hij ook gewoon vaderlijk bezorgd voor problemen die ik volgens hem zou kunnen krijgen. Met poëzie an sich had dat gedicht intussen niet veel van doen. Je nam een beetje de toon en de houding van die nogal onbegrijpelijke dus interessante linkse experimentele dichters over, terwijl je naar Bob Dylan luisterde, wiens woorden je maar voor de helft kon (en kunt) begrijpen. Gelukkig werd ik spoedig door de Barbarberpoëzie van de Vijftigers bevrijd en gelukkig spoedig daarna door iets of iemand anders weer van Barbarber. Maar in mijn optiek is de eigenlijke invloed van de poëzie en de artistieke houding van de Vijftigers die van de aanname dat je als volwassene moet proberen jezelf of jouw zelf zo direct mogelijk uit te drukken, met als resultaat puberteitspoëzie die voor vol wordt aangezien.
            Ho, mijn beste Hubertus! Wat zou er met de poëzie van Lucebert zijn gebeurd onder een fascistisch regime? Ze zou zonder meer verboden zijn, ontaard worden verklaard, zoals het werk van bijvoorbeeld expressionisten van vóór de oorlog, van vóór 1933 ontaard verklaard werd. Op zich is dat werk daarmee toch al een verzet tegen zo’n regime of opvatting?
            Ja, en toch, in elk geval garandeert het ene niet het andere. Je kent Emil Nolde? Zijn expressionistisch werk werd door de nazi’s ontaard verklaard. Nolde kon dat niet begrijpen, volgens hem moest het een misverstand zijn, en het deed hem niet twijfelen aan zijn opvattingen. Hij bleef een overtuigde antisemiet en trad in 1934, op zijn zevenenzestigste, toe tot de Nationalsozialistische Arbeitsgemeinschaft Nordschleswig. Wat dacht je van de Italiaanse futuristen onder leiding van Marinetti? En kijk eens naar de andere kant. Neem Majakovski. In 1948, vier jaar nadat de bolsjewieken volgens Bertus Swaansdijk met grote felheid bestreden dienden te worden, betitelde Elburg de dichters van de Experimentele Groep (Elburg, Kouwenaar, Lucebert) als de ‘Cel Majakovski’. Die naam was niet voor niets zo gekozen; Majakovski werd door Elburg, met zijn toen sterke sympathieën voor het communisme, als een voorbeeld van revolutionair dichterschap gezien.
            Ik ben op dit moment toevallig bezig met het vertalen van de verzamelde gedichten van Vladimir Nabokov, te verschijnen in komend najaar, beste naamgenoot. Zoals je weet moest vader Nabokov met zijn gezin de wijk nemen, dat wil zeggen het vege lijf redden voor de communistische revolutionairen.
            En je moet weten dat Majakovski, een soort Dichter des Sovjetvaderlands, door Nabokov werd beschouwd als een dichter die ‘bedeeld was met een zekere brille en slagvaardigheid, maar die op funeste wijze was gecorrumpeerd door het regime dat hij trouw diende.’
            Ik wil je graag het gedicht ‘Over heersers’ laten lezen dat Nabokov in 1944 schreef als ‘parodie op de manier van Majakovski’. Maar niet vooraleerst een mogelijk misverstand op te ruimen.
            Die experimentele poëzie is voor mij allesbehalve hetzelfde als de oeuvres van de dichters die rond 1950 zijn begonnen. Ik draag de persoon Elburg en zijn werk, waarvan het meeste toen nog moest komen, een warm hart toe, en ik beschouw Gerrit Kouwenaar als een van de grootste Nederlandstalige dichters. 

Maar nu Nabokov in parodistische Majakovskistijl – verklarende noten waar nodig in de aangekondigde uitgave –:

over heersers

Dat wordt lachen
      (zoals dat weleens wordt gezegd);
u zult (zoals helderzienden
zeggen) bulderen van het lachen, mijne heren –
      maar, op mijn erewoord,
      ik heb een maatje
                  dat
het te gek zou vinden om de hand te mogen schudden
van het hoofd van een staat of een andere
      onderneming.

Sinds wanneer, vraag ik me af,
kregen we in onze onderbuik
dat zacht bubbelende gevoel bij
het door onze toneelkijker in de ereloge zien zitten
van die forse kerel met dat borstelige haar?
      Sinds wanneer wordt het begrip
macht gelijkgesteld
met het sleutelbegrip vaderland?

Bepaalde Romeinen, allerlei slagers,
Karel de Schone en Karel de Lelijke,
volslagen bedorven prinsjes, fors geschapen
Duitse dames, en een keur aan
kannibalen, versierders, houthakkers,
      Johnies, Lowies, Lenins, om het even,
allemaal zaten ze op hun soliede oude tronen,
      met hun ellebogen steunend op hun knieën,
aan wat hen bedrukte kreunend lucht te geven.
De historicus gaat dood van verveling:
Mamays zitten Mamays op de hielen.
Noopt onze situatie ons echt te doen
      wat het bureaucratische China deed
door met een ris overbodige eeuwen
zijn bescheiden geschiedenis uit te breiden
(evenwel zonder dat het er
      beter of vreugdevoller op werd)?

Anderzijds zien ze er puik uit, de koetsiers
van de staat, bij het vervullen van hun plicht:
het blauw van de hemel vliegt op hen toe,
hun vlamkleurige slippen klapperen in de wind,
de buitenlandse waarnemer kijkt op en ziet
van die wonderschone bolle ogen voor zich
en daarachter een wondermooie schikking
van divankussens rondom een reuzenpompoen.
Maar de gedecoreerde knakker of anders wel
      de wolf in lange regenjas,
      met Pickelhaube,
      met schorre stem, verwrongen tronie,
      redevoerend vanuit een stilstaande cabriolet,
of, andermaal, een banket
met Kaukasische wijn –
      Nee, dank u, niet voor mij.

Had mijn overleden naamgenoot,
die, zoals een voetknecht dat hoort
te doen, verzen schreef op het ochtendgloren
van de kleine sovjetburgerij,
      geleefd tot het morgen geworden was,
had hij nu met rijmen gescoord
      als ‘haal in!’
                  en ‘broze held’
en meer van dat soort.

[wordt vervolgd]