vrijdag 13 januari 2017

VORM EN VENT




Dagelijks neem je dichters rabiaat de maat,
genadeloos voor wie zich en dus jou niet ontregelen laat,
luid geeuw je van wie dicht zoals dat al eeuwen gaat
en met geen nieuw licht verwart de staat.

Radicaal verander je je leven dan, zet
de bundel met zijn ruggetje op alfabet
en maakt kiekjes voor op internet:
van dochtertjelief verkleed als snoezige
elf van zes, van de poes die met haar
teddybeertje slaapt, de kerstboom die
is opgetuigd voor het behang waartegen
de familie compleet hangt ingelijst,
de tafel die al feestelijk is gedekt,
van al dat ach zo intieme, en van die
oliebol met krent, slechts één minieme,
of – verrek! – vent, is dat je zelfportret?

woensdag 11 januari 2017

GEBOGEN ADSPIRANT DODEMAN



In de zomer van 1968 vervaardigde Pablo Picasso een reeks etsen, veelal met aquatint, voor een portfolio, genaamd La Celestina. Aanleiding was de Tragicomedia de Calisto y Melibea, in Spanje bekend onder de naam La Celestina, geschreven door Fernando de Rojas en in 1499 gepubliceerd. Ik mag me de gelukkige eigenaar noemen van een druk van een van die etsen van Picasso (Bloch 1657). Het is de afbeelding van een jonge vrouw die vanuit de coulissen zich en in het bijzonder haar borsten presenteert, gechaperonneerd door twee figuren die daar belang bij lijken te hebben. Praktisch dagelijks kijk ik dus naar een erotisch getinte prent van een 86jarige. En met genoegen. Fraai wat de oude meester het materiaal, het zuur heeft laten doen. (Is dit geen suikerets?) Haren, de structuur van de kledingstof. En dan zijn hand, zijn lijnvoering die weet te stoppen waar de vorm (of de beschouwer) het zelf verder afkan, waardoor het meisje met enkele ‘simpele’ lijnen volume krijgt, zoals haar haast tastbaar zachte buik, zonder dat die verder wordt omschreven of met schaduw is benadrukt…
            With irony and ribald humor Picasso reviewed his life,’ lees ik ergens, ‘his failing powers and his place in history.  In fact, Picasso is often observed in much of the […] Series as voyeur in these images of fantasy and imagination.’
            Ik vind Celestina, de oude koppelaarster, frappant op de oude Picasso lijken!
Wat betekent dat? Dat een ouwe vent alleen nog tot het arglistig koppelen van anderen, jongeren bij machte is? Overigens in het werk van Fernando de Rojas met rampzalige gevolgen: de minnaars en ook anderen moeten de affaire met de dood bekopen.
            Die zelf relativerende travestie van Picasso zie je uiteraard slechts op enkele etsen. Dus moet je niet alleen de etsen afzonderlijk maar zeker ook in het geheel van de serie bekijken.

Dat besef brengt me opnieuw bij de poëziebundel Oden voor komende nacht van Jacques Hamelink. (Zie ‘Kuieren naast de klaprozen’ en vervolgens ‘Vieve oude mannen’.)
            Heb ik de gedichten in die bundeling tot nu toe niet te eenzijdig gelezen als losse teksten? Zoals ik vind dat in Picasso’s Celestinaserie praktisch elke van de 66 prenten van hoog artistiek niveau is, vind ik nog steeds dat in de Hamelinkbundel gedichten als ‘Knieling’ nogal spanningsloos zijn. Maar wanneer ze dat zijn omdat ze, zoals ik eerder meende te moeten opmerken, niet (zelf)relativerend genoeg zouden zijn, moet ik toch weer even naar ‘mijn’ losse Picasso kijken, want wat is dáár dan (zelf)relativerend aan?
            Mogelijk moet ik de titel van Hamelinks bundel meer in mijn lectuur van het geheel betrekken: Oden voor komende nacht. En die titel lezen als: eerst nog wat lofzangen voordat de nacht komt. En die nacht? Is dat niet het overbekende beeld van of voor de dood?
            Het voorlaatste gedicht van de bundel is een auto-in memoriam. Het gaat vooraf aan een klein wensgedichtje dat eindigt met: ‘Dat niemands verzinsel / heerse over me.’ De wens, zo lees ik het, dat er na of in de dood niets en niemand is dat of die alles over het leven blijkt te hebben beslist. Dat is de vraag om de genade van een ongenadig finaal einde! Me dunkt.

in memoriam

Deze kernenergieke zon kwam niet gerezen.
De doemdags opgezwollen op exploderen
staande roodgloeiende bal groef zich

ongenadig in tegen de misvormde humus-
richel horizon. Op zijn laagste punt
stond de zon, op één hoogte met mij.

Tussen hem en mij leunde alleen een rij
kale zwart hooggaande slungelbomen alle
kanten op. Het alles verheerlijkt tonend

stationaire licht illumineerde de grietenij.
Het oudgoud en zwart schilderij verscheen
op de achterwand van mijn gewitkalkte cel.

Bij dat statie-illuminatielicht zat ik aan
mijn schrijftafel, gebogen adspirant dodeman
met zijn zichzelf opbrandend enthousiasme.

Met dat imago aan de wand. Met mijn lege papier.

Hoezo geen zelfrelativering? Ik vind dit indrukwekkend. Ik moet Oden voor komende nacht als nieuw gaan lezen.

dinsdag 10 januari 2017

VIEVE OUDE MANNEN



‘Herder en nimf’, geschilderd door Titiaan op zijn 85ste

In 1911 voltooide de tweeëntwintigjarige dichter T.S. Eliot zijn lange gedicht ‘The Love Song of J.  Alfred Prufrock’, met als persona een kalende vrijgezel van middelbare leeftijd, die verlangt naar maar geremd is in de omgang met vrouwen. ‘Ik word oud… Oud en loom… / Ik draag straks een broek met omgeslagen zoom,’ verzucht Prufrock.[*]
            Dezelfde Eliot was pas een jaar of dertig toen hij het gedicht ‘Gerontion’ schreef, met als persona een bejaarde man ‘in wie de dichter zijn geestelijk en seksueel mislukt leven projecteert.’[†] ‘Hier ben ik, een oude man in een droge maand,’ zo begint het gedicht.
            Het is curieus dat een jongeman al zo geoccupeerd is door de verwachting van de (eigen) aftakeling. Menigeen wil die toekomst juist zo lang en ver mogelijk, dus onbenoemd voor zich uitschuiven en haar zelfs nog zoveel mogelijk ontkennen zo gauw ze realiteit is geworden. Wat mannen aangaat betekent dit dat je je nog op hoge leeftijd als viriel wil presenteren.
            Eerlijk gezegd heb ik persoonlijk al gauw moeite met literatuur waarin mannelijke auteurs hun meer of minder vermomde alterego’s expliciet seksuele prestaties laten leveren, en zeker wanneer op achterplat of flap van het boek waarin zulks plaatsvindt een auteursfoto prijkt of wanneer de schrijver met zijn kop op televisie verschijnt, kan ik een te mompelen kwalificatie als ‘sukkel’ of ‘sneu’ moeilijk onderdrukken, want, laten we eerlijk zijn, welke ware bink of Adonis wil er nou literair schrijver worden? En naarmate de schrijver ouder is, vind ik zijn literaire pochstandjes gênanter.
            Ik moest aan de vroegoude Eliot denken toen ik verder las in de recente poëziebundel van Jacques Hamelink, verschenen in diens 77ste levensjaar. Eerder was ik al benamingen voor het mannelijk lid tegengekomen als ‘bevruchtboomwortel’. In de vijfdelige reeks ‘Wreedheden’ heet het ‘handvat’, ‘knoest’, ‘roede’, ‘liefdestaaf’, ‘glansvlees’, ‘gespannen stamper’. In eerdere expliciet seksueel gerichte gedichten is er een ‘ik’ aan het woord, hier gaat het om een hij en een zij, en is de ‘verteller’ veeleer rapporterend voyeur. Voor wie, waartoe? Voor hemzelf? Een andere, wellicht betere vraag: is deze poëzie over seksuele opwinding opwindende poëzie?
            ‘Knieling’ heet een van de gedichten. Dit staat er qua woorden:
            Ze is van hem afgewend op haar knieën voor hem op het beddek gaan liggen en biedt naar de natuur grootmoedig hem de volheid van haar achterste aan, net zo neerknielend voor haar maar achter haar brengt hij zijn roede onder haar hoge billen omhoog, zelf helpt ze met haar hand hem krijgen waar ze hem hebben wil zoals hij wreed haar te nemen begeert.’
            Het terugbrengen van de hier weggelaten afbrekingen en witregels maakt het er niet spannender op. Waarom in dit geval überhaupt taal? Waarom niet volstaan met een linkadres naar een filmpje op een pornosite?
            Ik vraag me wel eens vaker af waarom prozaschrijvers en dichters zich uitputten in het beschrijven van iets wat in een ander medium simpel en veel beter kan worden getoond of gesuggereerd. (Het omgekeerde geldt ook. Zo vind ik een voice-over in een speelfilm praktisch altijd een literaire in plaats van een cinematografische oplossing en heb ik niet veel op met teksten in een museum voor hedendaagse beeldende kunst.)
            Maar de vraag die me hier nu even bezighoudt: waarom wil een zevenenzeventigjarige me dit laten lezen? Om me te laten weten nog zijn mannetje te kunnen staan?
            O, ik kan me heel goed voorstellen dat een bejaardeling nog seksuele fantasieën en hunkeringen heeft. Maar wat ik hier dan mis is dramatiek, ja, de onherroepelijke tragiek die dat met zich meebrengt, maakt niet uit in welke gedaante of op welke toon dat meespeelt, melancholisch, kwaad, terneergeslagen, berustend, relativerend
            De Maastrichtse dichter Pierre Kemp keek ook graag naar vrouwen en meisjes en hij was ook ooit 77. Hij schreef toen onder meer dit:
            la belle époque

Als ik doodga, zal ik grote ogen maken,
ogen, die toch weinig meer zien.
In een honderdste van een seconde
weet ik: ‘nu gaat het mij raken’
en ik treur om mijn menselijk toestel misschien.
Maar ik heb niets meer te willen:
hier begint de époque zonder billen!!!

Of dit:
mooie voetjes

Ik ben de dichter met de mooie voetjes!
Word ik verpleegd, de zusters tillen zoetjes
de dekens van mijn tenen, en slaan ze op.
Zij komen meest alleen, soms ook met paren
en kijken van onder hun wenkbrauwharen
elkaar begrijpend aan met liefelijk ontzag.
Hoe komt het, dat onder zulk een oude kop
nog zulke mooie voetjes slapen?

Dat dringt tot me door, maakt indruk op me, want het veinst zelfingenomenheid, op een humoristische wijze, en is daardoor buitengewoon ontroerend.
            Maar er staat al een poos een jongeman over mijn schouder mee te lezen, iemand die beweert dat hij mij was toen ik hooguit een zeer vaag vermoeden had van hoe ik nu ben. ‘Spraken we niet af,’ zegt hij, op een voor zo’n jongeling wel erg belerende toon, ‘dat gedichten niet moeten worden beoordeeld aan de hand van biografische gegevens van hun maker, maar louter als taalwerk op zich?’
            ‘Ach, jongen, van mij mag je dat met alle recht ook hier weer doen, ga gerust je gang, maar verlang niet meer van mij dat ik mijn ogen voor de dichter zelf sluiten kan zoals jij dat wilde doen, want dat lijkt me zelfbedrog – autonome kunst: alsof zoiets kan bestaan!’
            Ik herinner hem nog maar eens aan wat zijn achteroom Witold zei: dat er in de kunst geen belangrijkere opgave kan bestaan dan ‘zichzelf tot uitdrukking brengen. […] Als ik, wanneer ik een lafaard ben, een heroïsche toon aansla, bega ik een stijlfout. En als ik me uitdruk alsof ik door iedereen gerespecteerd en bemind wordt, terwijl de mensen me in werkelijkheid niet hoogachten en liefhebben, bega ik eveneens een stijlfout.’
            ‘Nou en?’ antwoordt hij bijdehand, ‘Dan is Hamelink gewoon een vieze en was Kemp een lieve oude man. Allebei even vief.’
            Daar moet ik even over nadenken. Maar voor ik er erg in heb heeft de snotneus een lijvig boek met reproducties voor me neergesmakt en opengeslagen. ‘En dit dan, van een 87jarige?’
             ‘… Eh, tja, Pablo Picasso, hè,’ murmel ik, 'geweldige lijnvoering...'
‘En dat?’
Even met mijn mond vol tanden, gelukkig nog de eigen…


[*] T.S. Eliot, Prufrock en andere observaties, integraal vertaald door Paul Claes, Uitgeverij Koppernik, Amsterdam 2016.
[†] Paul Claes, ‘Aantekeningen’ in T.S. Eliot, Gerontion – Gedichten, integrale vertaling van Poems 1920, (te verschijnen bij) Uitgeverij Koppernik, Amsterdam 2017.